Kan de sport eerlijker worden gemaakt door natuurlijke lichaamsvariaties te verbieden?

Topatletes met een variatie in sekse-kenmerken die op natuurlijke manier hoge hoeveelheden androgenen (waaronder testosteron) produceren (ook hyperandrogenisme genoemd) mogen van het Internationaal Olympisch Committee (IOC) en de Internationale Atletiekfederatie (IAAF) geen té hoog testosteronniveau hebben om te mogen meedoen aan de vrouwencompetitie.  

Als ze wel willen deelnemen, moeten ze een medische behandeling ondergaan, om hun natuurlijk testosteronniveau te laten dalen.

Deze richtlijnen gaan uit van de veronderstelling dat testosteron bijdraagt tot een betere sportprestatie, en dus oneerlijke concurrentie in de hand kan werken. 

Ethici, sociaal wetenschappers en belangenorganisaties trekken de redelijkheid, eerlijkheid en wetenschappelijke onderbouwing van deze richtlijnen in twijfel.

We geven een overzicht van het debat en van de richtlijnen.

 

WAAROM RICHTLIJNEN?

Het duurde tot 1988 voordat de IAAF erkende dat vrouwen met AIS geen mannen zijn, ondanks hun XY-chromosomen. María José Martínez Patiño kreeg een nieuwe sportlicentie, maar noemde haar overwinning ‘bitterzoet‘. Haar privacy was op allerlei manieren geschonden en haar topperiode in de sport was voorbij (NNID, 2014).
 

Bron: NNID (2014)

Enkele vragen (en antwoorden) bij dit protocol

Is het een zinvolle grenswaarde?


De grenswaarde zelf is onderwerp van discussie, omdat succesvolle atleten geen hogere testosteronwaarden hebben dan minder succesvolle atleten. In hun artikel wijzen Katrina Karkazis en collega's (2012) op de overlap van testosteronniveaus bij mannen en vrouwen: een onderzoek onder 693 topatleten laat zien dat het testosteronniveau bij 16,5 procent van de mannelijke atleten lager is dan het zogenaamde 'mannelijke' testosteronbereik (ook bij mannen is er heel wat variatie mogelijk). Anderzijds scoort 14 procent boven het 'vrouwelijke' bereik. Bij topsporters blijkt het niveau van het natuurlijk aanwezige testosteron geen indicatie voor wie sneller kan lopen , zwemmen, of meer gewicht kan heffen.
De studies die de relatie tussen testosteron en prestatie onderzoeken hebben methodologische beperkingen, en kunnen tot nog toe geen oorzaak-gevolg relatie aantonen. In een recente studie van Eklund et al (2017) bijvoorbeeld is er helemaal geen verschil gevonden in testosteronniveaus van 106 Zweedse atleten en 117 vrouwelijke controles, en belangrijker, was er ook geen verband tussen testosteronwaarden en sportieve prestaties. In een andere studie, van Bermon en Garnier (2017), die besteld was door het IAAF, werd vooral gekeken naar het afgeleide 'vrije' testosteron, en niet naar de natuurlijke bloedtestosteronwaarden waarover de protocolregels eigenlijk gaan. De onderzoekers vergeleken daarbij de prestaties van een aantal vrouwen op 21 verschillende sportevents. In 5 van de 21 events bleken vrouwen die hogere 'vrije' testosteronwaarden hadden, het beter te doen dan vrouwen die lagere vrije testosteronwaarden hadden. Hoewel niet statistisch significant, hadden vrouwen met de laagste testosteronwaarden betere prestaties op 9 van de 21 events. Het Arbitragehof voor de Sport geeft toe dat er vele andere factoren kunnen bijdragen tot een competitief voordeel bij prestaties (NNID, 2014). Maar waarom wordt enkel gekeken naar testosteron en niet naar die andere factoren? De veronderstelling dat ook het Y-chromosoom een rol speelt, lijkt bevestigd te worden Ferguson-Smith & Bavington. Zij stellen dat tenminste 1 op 421 vrouwelijke atleten de variatie Androgeen Ongevoeligheid hebben, terwijl de prevalentie bij bij de rest van de bevolking minder dan 1 op 20.000 bedraagt. In een andere studie van Bermon et al. (2014) onder 849 atletes wordt een nog spectaculairder cijfer genoemd: 1 op 140 vrouwen heeft een variatie in sekse-kenmerken/intersekse/dsd.
Dat het percentage vrouwen met een intersekseconditie/DSD in de topsport veel hoger is dan in de rest van de samenleving, kan er volgens de onderzoekers op duiden dat vrouwen met XY-chromosomen een voordeel hebben ten opzichte van vrouwen met XX-chromosomen. Furguson-Smith & Bavington (2014) achten het waarschijnlijk dat sportvrouwen met XY-chromosomen net als mannen met XY-chromosomen een gunstiger lean body mass (LBM, lichaamsgewicht minus het gewicht van het vet in het lichaam) hebben dan sportvrouwen met XX-chromosomen. Bermon en collega's (2014) testten ook testosteronwaarden bij deze vrouwen met XY vrouwen en vonden hogere testosteronwaarden in vergelijking met hun vrouwelijke medeconcurrentes zonder XY chromosomen en intersekse variatie. Volgende deze auteurs toont dit indirect aan dat testosteron, onder meer via een positief effect op spiermassa en ontwikkeling en explosieve kracht, wel tot een betere sportprestatie leidt. Het laatste woord is hier nog niet over gezegd.

Maar de volgende vraag wordt wel geopperd: als testosteron bij lijkt te dragen tot een betere sportprestatie (wat nog niet is aangetoond), is het dan fair van atletes uit te sluiten? (Sönksen et al, 2018).




Is het een eerlijk of fair protocol?


In de sportwereld gaat men ervan uit dat iedereen een eerlijke start moet krijgen. Grenswaarden worden ingevoerd in het teken van 'a fair game' en een 'fair playing field'. Daarmee wordt impliciet gezegd dat vrouwen met een van nature hoog testosteronniveau valsspelen. Het meest voor de hand liggende tegenargument is, uiteraard, dat andere sporters ook niet worden beschermd tegen concurrenten die op een of andere manier door de natuur zijn ‘bevoordeeld’. Sterker, winnen in de sport is juist gebaseerd op het volledig benutten van die voordelen. Als atleten niet op een of andere manier uitzonderlijk waren, zouden ze dan het podium halen? Eigenlijk is geen enkel atletenlichaam typisch of 'normaal' in de statistische zin van het woord. Michael Phelps, een recordhouder bij het zwemmen bijvoorbeeld, heeft het syndroom van Marfan, waardoor hij langere ledematen heeft en flexibele gewrichten die hem helpen bij zijn uitzonderlijke zwemprestaties. Andere elite-atleten hebben variaties in genen die ervoor zorgen dat ze meer spiergroei en -efficiëntie hebben, of een verhoogde bloedtoevoer naar de spieren (Karkazis et al, 2012). Atleten hebben verschillende biologische en genetische voordelen, die samen met andere factoren zoals talent en dedicatie maar ook goed sportmateriaal, een atletische prestatie kunnen beïnvloeden. Is het fair om testosteron te isoleren als enige factor die zou bijdragen aan een competitief voordeel of prestatie?




Medisch ingrijpen en (neven)effecten?


Met hormoontherapie (anti-androgenen of oestrogenen) of met het verwijderen van de geslachtsklieren kan het testosteronniveau worden verlaagd tot een niveau waarop deelname aan wedstrijden weer is toegestaan. Maar is het wel de taak van een arts om een gezond vrouwenlichaam aan te passen aan de eisen van een sportorganisatie? De IAAF beweert dat medisch ingrijpen binnen dit protocol ook gezondheidsvoordelen heeft voor de vrouwen in kwestie. Daarbij Toch is uit wetenschappelijk onderzoek niet gebleken dat hogere testosteronwaarden gezondheidsrisico's met zich meebrengen, al kan het in enkele uitzonderlijke gevallen wel op het levensbedreigende CAH wijzen. Echter, de anti-androgeen hormoontherapie die vrouwen dienen te nemen kan ook gepaard gaan met eigen bijwerkingen voor topatleten, zoals glucose-intolerantie, insuline resistentie, lever toxiciteit, misselijkheid, ... (Karkazis et al, 2012), die een negatieve invloed kunnen uitoefenen op de sportprestatie. Hoewel dus sommige vrouwen een mogelijk gezondheidsvoordeel kunnen ondervinden van medisch testen en ingrijpen, zal het bij de overgrote meederheid van vrouwen een hypothetisch voordeel zijn dat moet gewogen worden tegen de andere gevolgen van niet-noodzakelijk medisch ingrijpen. Deze andere gevolgen blijken uit een Franse studie , met vier jonge atletes van 18 tot 20 jaar, allen afkomstig uit ontwikkelingslanden (Fénichel et al, 2013). Dezelfde artsen die bij de atletes een te hoog testosteronniveau geconstateerd hadden, gingen over tot het stellen van een diagnose, het voorschrijven van medicatie en het verwijderen van de geslachtsklieren van de atletes. Bovendien werden bij de sportsters ook de clitoris verkleind en hun vagina geopereerd - medische procedures die niet in het protocol stonden. Katrina Karkazis en collega's (2012) wijzen op het gevaarlijke signaal dat hiermee wordt gegeven, nl. dat je alleen maar vrouw kan zijn als je er op een bepaalde manier uitziet, en ook op de gevolgen van de medische behandeling. De medicatie en de chirurgische behandeling zijn onomkeerbaar; het verkleinen van de clitoris leidt tot verminderde gevoeligheid en problemen met de seksualiteit, het verwijderen van geslachtsklieren leidt tot onvruchtbaarheid en de hormonen die gebruikt worden om hormoonniveaus te verlagen hebben bijwerkingen met mogelijk levenslange gezondheidsrisico’s. Als testosteron al tot een natuurlijk voordeel leidt, dan is de vraag nog steeds waarom andere natuurlijke voordelen niet op dezelfde medische manier worden aangepakt. Niemand zou er ooit op komen de benen van Usain Bolt in te korten, of sporters een seconde eerder te laten vertrekken in het kader van een gelijk speelveld (NNID, 2014). Voor vele belangen- en mensenrechtenorganisaties druist medisch ingrijpen in tegen de boodschappen die ze net willen uitdragen: dat medische behandeling voor een natuurlijke variatie in sekse kenmerken niet nodig is om succesvol te worden en de top te bereiken. Het IAAF geeft net het omgekeerde signaal.




Is testosteron het enige verschil tussen mannen en vrouwen?


Er zijn op zijn minst 6 biologische markers of variabelen van biologisch geslacht of sekse, waaronder chromosomen, geslachtsklieren, hormonen, secundaire sekse-kenmerken in de puberteit, externe en interne geslachtsorganen. Geen enkele van deze markers zijn binair- oftewel helemaal vrouwelijk, oftewel helemaal mannelijk. Bv. chromosomen, XX of XY zijn niet mannelijk of vrouwelijk. Er zijn ook mensen met XXY chromosomen, of XX chromosomen in sommige lichaamscellen en XY in andere lichaamscellen. Bij elke marker is er bovendien veel variatie mogelijk, zowel tussen personen als binnen dezelfde persoon. Testosteronwaarden bij vrouwen bijvoorbeeld verschillen niet alleen tussen vrouwen, maar zijn ook afhankelijk van het tijdstip van de dag, maand en levensfase waarop gemeten wordt. Sommige mensen zijn bovendien erg gevoelig voor het aanwezige testosteron, anderen niet (Karkazis et al, 2012). Er wordt vaak vanuit gegaan dat mensen met variaties in sekse-kenmerken heel uitzonderlijk zijn, omwille van hun complexe biologische achtergrond. Maar geslacht of sekse is bij iedereen complex. Er zijn verschillende biologische markers, maar geen enkele lijkt van doorslaggevend belang te zijn, omdat er geen enkele marker aanwezig is bij álle personen die man of vrouw zijn.




Welke regels gelden voor mannen?


Het IAAF protocol met regels rond testosteronwaarden geldt enkel voor vrouwen. Dat wil zeggen dat natuurlijk hoge testosteronwaarden bij mannen niet verder in vraag worden gesteld bij het bieden van extra competitief voordeel. Bovendien gaat het Anti-doping Agenschap er ook van uit dat mannen met natuurlijk lage testosteronwaarden extra testosteron mogen bijnemen zonder dat het als doping wordt beschouwd (Dreger, 2010).





 

Vrouwen mochten voor het eerst meedoen aan de Olympische Spelen in 1900. Van in den beginne werden alleen vrouwelijke atleten onderworpen aan 'geslachtstesten'. Mannen konden zich immers voordoen als vrouwen en daardoor de competitie vervalsen.Omgekeerd werd niet nagegaan of vrouwen meededen in de mannencategorie- maar dat was volgens de organisatoren ook niet van belang, omdat ze ervan uitgangen dat mannen altijd beter zouden zijn in sport , en vrouwen dus niet konden winnen (Karkazis et al, 2012).

Oorspronkelijk werd vooral naar de lichamelijke kenmerken gekeken: een vrouw behoorde borsten en een vagina te hebben. Omdat dit tot een soort vleeskeuring leidde die niet door de atletes werd gewaardeerd, werd sinds de Olympische Spelen van Mexico (1968) gekeken naar het chromosomenpatroon: wie twee X-chromosomen had, mocht als vrouw meedoen. 

Deze methode van testen had voor heel wat vrouwelijke sporters grote gevolgen. Indien XY chromosomen werden ontdekt, dan werd hen bijvoorbeeld gevraagd een blessure te veinzen, en in stilte afscheid te nemen van de sportwereld, ondanks topprestaties (NNID, 2014).  Veel sportsters hadden het idee dat ze ontmaskerd waren als bedriegers, als mannen. Daarom zwegen ze bijna allemaal. De uitzondering die uiteindelijk het verschil maakte, was de Spaanse hordeloopster María José Martínez Patiño. In1985 werd ze getest voor de World University Games in Kobe en werden in alle geteste cellen XY-chromosomen aangetroffen. Ze was geboren met androgeen ongevoeligheidssydroom (AIS). Door de ongevoeligheid voor androgenen ontwikkelde het lichaam zich in vrouwelijke lijn, ondanks dat wel testes aanwezig waren en geen baarmoeder en eierstokken.
 


 


Ook zij kreeg te horen dat ze een blessure moest simuleren en zich rustig, maar vooral permanent moest terugtrekken uit de topsport -iets wat zij weigerde. Toen ze in januari 1986 bij de Spaanse nationale kampioenschappen meedeed aan de 60 meter horde,  werd haar verhaal gelekt naar de pers. Ze werd de toegang tot het atletiekcomplex ontzegd, haar sportbeurs werd ingetrokken en haar

eerdere prestaties werden verwijderd uit de Spaanse ranglijsten.

Ze verloor vrienden, haar verloofde, hoop en energie. Ze werd publiekelijk vernederd (NNID, 2014). Maar ze werd ook in toenemende mate ondersteund door wetenschappers en sportjournalisten in haar standpunt dat vrouwen met AIS geen man zijn.

Sinds 1990 mogen transgendervrouwen onder strikte omstandigheden meedoen aan de vrouwencompetitie van de IAAF. Omdat bij transgenderpersonen de chromosomen niet (kunnen) veranderen, zijn de eerder gebruikte chromosoomtesten niet meer zinvol (als die ooit al zinvol waren). IAAF zocht daarom een nieuwe methode om de vrouwen van de mannen te scheiden. In een protocol werd beschreven aan welke eisen een transgendervrouw moest voldoen om aan de vrouwencompetitie te mogen meedoen. Naast eisen aan het tijdstip van de transitie en de medische behandeling, werden ook eisen aan het testosteronniveau gesteld.

Het IOC besloot in juni 1999 te stoppen met een algemene geslachtstest en alleen nog te testen bij een verdenking van fraude. Die verdenking is -zoals bij de start van de invoering van een geslachtstest- opnieuw vooral gebaseerd op hoe vrouwen eruit zien (Karkazis et al., 2012).

10 jaar later, wereldkampioenschappen Berlijn

Toen hardloopster Caster Semenya in 2009 in Berlijn de beste wereldjaartijd voor de 800 meter liep, werd al enige tijd geroddeld over haar sekse. Het bleek dat haar testosteronniveau drie maal zo hoog was als dat van de gemiddelde vrouw. Maar Caster Semenya was nooit van geslacht veranderd - ze was als meisje geboren en voelde zich ook vrouw. De regels die gelden voor transgendervrouwen waren hier dus niet van toepassing, en compliceerde de zaak.

 

Het was voor de IAAF reden Caster Semenya te vragen mee te werken aan een uitgebreide geslachtstest (overigens zonder haar medeweten). Het duurde elf lange maanden, met veel internationale pers-aandacht, weinig privacy en respect, voordat de IAAF tot een beslissing kwam: Caster Semenya was dan toch vrouw.

Als resultaat van het multidisciplinair onderzoek naar de zaak Semenya publiceerde de IAAF in 2011 een nieuw protocol. Daarin stond dat bij twijfel het geslacht voortaan bepaald zou moeten worden door een team bestaande uit gynaecologen, endocrinologen, internisten en psychologen.  In het protocol van de IAAF stond ook dat het Totaal Testosteronniveau van een vrouw lager moet zijn dan de normaalwaarde die voor een man geldt, door de IAAF vastgesteld op ≥ 10 nmol/L. Dat protocol werd aangevochten door de Indiase Dutee Chand bij het Hof van Arbitrage voor Sport.

 

In mei 2018 werd een nieuw protocol met aangepaste grenswaarde opgelegd:    5 nmol/L. Vrouwen met een te hoge testosteronspiegel moeten medicatie nemen om hun natuurlijke hormoonspiegel te verlagen tot het onder de 5 nmol/L valt en dit voor ten minste 6 maanden.

 

HUIDIGE RICHTLIJNEN IN EEN NOTENDOP

De nieuwe richtlijnen van het IAAF (International Association of Athletics Federations), die van kracht gaat op 1 november 2018, gelden

- enkel voor vrouwen

- enkel voor de internationale atletiekcompetitie en

- énkel voor atletiekdisciplines waarbij er tussen de 400m en 1 mijl (1,6 km) gelopen wordt

 

In dit geval mogen vrouwen géén testosteronspiel > 5 nmol/L (=144 ng/dl) hebben indien ze willen deelnemen. Voordien stond deze grens op 10 nmol/L.

 

Vrouwen met een te hoge testosteronspiegel moeten medicatie nemen om hun natuurlijke hormoonspiegel te verlagen tot het onder de 5 nmol/L valt en dit voor ten minste 6 maanden.

 

Voor andere wedstrijden (bv. nationaal) en andere atletiekdisciplines gelden deze richtlijnen niet.

Is het een zinvolle grenswaarde?


De grenswaarde zelf is onderwerp van discussie, omdat succesvolle atleten geen hogere testosteronwaarden hebben dan minder succesvolle atleten. In hun artikel wijzen Katrina Karkazis en collega's (2012) op de overlap van testosteronniveaus bij mannen en vrouwen: een onderzoek onder 693 topatleten laat zien dat het testosteronniveau bij 16,5 procent van de mannelijke atleten lager is dan het zogenaamde 'mannelijke' testosteronbereik (ook bij mannen is er heel wat variatie mogelijk). Anderzijds scoort 14 procent boven het 'vrouwelijke' bereik. Bij topsporters blijkt het niveau van het natuurlijk aanwezige testosteron geen indicatie voor wie sneller kan lopen , zwemmen, of meer gewicht kan heffen.
De studies die de relatie tussen testosteron en prestatie onderzoeken hebben methodologische beperkingen, en kunnen tot nog toe geen oorzaak-gevolg relatie aantonen. In een recente studie van Eklund et al (2017) bijvoorbeeld is er helemaal geen verschil gevonden in testosteronniveaus van 106 Zweedse atleten en 117 vrouwelijke controles, en belangrijker, was er ook geen verband tussen testosteronwaarden en sportieve prestaties. In een andere studie, van Bermon en Garnier (2017), die besteld was door het IAAF, werd vooral gekeken naar het afgeleide 'vrije' testosteron, en niet naar de natuurlijke bloedtestosteronwaarden waarover de protocolregels eigenlijk gaan. De onderzoekers vergeleken daarbij de prestaties van een aantal vrouwen op 21 verschillende sportevents. In 5 van de 21 events bleken vrouwen die hogere 'vrije' testosteronwaarden hadden, het beter te doen dan vrouwen die lagere vrije testosteronwaarden hadden. Hoewel niet statistisch significant, hadden vrouwen met de laagste testosteronwaarden betere prestaties op 9 van de 21 events. Het Arbitragehof voor de Sport geeft toe dat er vele andere factoren kunnen bijdragen tot een competitief voordeel bij prestaties (NNID, 2014). Maar waarom wordt enkel gekeken naar testosteron en niet naar die andere factoren? De veronderstelling dat ook het Y-chromosoom een rol speelt, lijkt bevestigd te worden Ferguson-Smith & Bavington. Zij stellen dat tenminste 1 op 421 vrouwelijke atleten de variatie Androgeen Ongevoeligheid hebben, terwijl de prevalentie bij bij de rest van de bevolking minder dan 1 op 20.000 bedraagt. In een andere studie van Bermon et al. (2014) onder 849 atletes wordt een nog spectaculairder cijfer genoemd: 1 op 140 vrouwen heeft een variatie in sekse-kenmerken/intersekse/dsd.
Dat het percentage vrouwen met een intersekseconditie/DSD in de topsport veel hoger is dan in de rest van de samenleving, kan er volgens de onderzoekers op duiden dat vrouwen met XY-chromosomen een voordeel hebben ten opzichte van vrouwen met XX-chromosomen. Furguson-Smith & Bavington (2014) achten het waarschijnlijk dat sportvrouwen met XY-chromosomen net als mannen met XY-chromosomen een gunstiger lean body mass (LBM, lichaamsgewicht minus het gewicht van het vet in het lichaam) hebben dan sportvrouwen met XX-chromosomen. Bermon en collega's (2014) testten ook testosteronwaarden bij deze vrouwen met XY vrouwen en vonden hogere testosteronwaarden in vergelijking met hun vrouwelijke medeconcurrentes zonder XY chromosomen en intersekse variatie. Volgende deze auteurs toont dit indirect aan dat testosteron, onder meer via een positief effect op spiermassa en ontwikkeling en explosieve kracht, wel tot een betere sportprestatie leidt. Het laatste woord is hier nog niet over gezegd.

Maar de volgende vraag wordt wel geopperd: als testosteron bij lijkt te dragen tot een betere sportprestatie (wat nog niet is aangetoond), is het dan fair van atletes uit te sluiten? (Sönksen et al, 2018).




Is het een eerlijk of fair protocol?


In de sportwereld gaat men ervan uit dat iedereen een eerlijke start moet krijgen. Grenswaarden worden ingevoerd in het teken van 'a fair game' en een 'fair playing field'. Daarmee wordt impliciet gezegd dat vrouwen met een van nature hoog testosteronniveau valsspelen. Het meest voor de hand liggende tegenargument is, uiteraard, dat andere sporters ook niet worden beschermd tegen concurrenten die op een of andere manier door de natuur zijn ‘bevoordeeld’. Sterker, winnen in de sport is juist gebaseerd op het volledig benutten van die voordelen. Als atleten niet op een of andere manier uitzonderlijk waren, zouden ze dan het podium halen? Eigenlijk is geen enkel atletenlichaam typisch of 'normaal' in de statistische zin van het woord. Michael Phelps, een recordhouder bij het zwemmen bijvoorbeeld, heeft het syndroom van Marfan, waardoor hij langere ledematen heeft en flexibele gewrichten die hem helpen bij zijn uitzonderlijke zwemprestaties. Andere elite-atleten hebben variaties in genen die ervoor zorgen dat ze meer spiergroei en -efficiëntie hebben, of een verhoogde bloedtoevoer naar de spieren (Karkazis et al, 2012). Atleten hebben verschillende biologische en genetische voordelen, die samen met andere factoren zoals talent en dedicatie maar ook goed sportmateriaal, een atletische prestatie kunnen beïnvloeden. Is het fair om testosteron te isoleren als enige factor die zou bijdragen aan een competitief voordeel of prestatie?




Medisch ingrijpen en (neven)effecten?


Met hormoontherapie (anti-androgenen of oestrogenen) of met het verwijderen van de geslachtsklieren kan het testosteronniveau worden verlaagd tot een niveau waarop deelname aan wedstrijden weer is toegestaan. Maar is het wel de taak van een arts om een gezond vrouwenlichaam aan te passen aan de eisen van een sportorganisatie? De IAAF beweert dat medisch ingrijpen binnen dit protocol ook gezondheidsvoordelen heeft voor de vrouwen in kwestie. Daarbij Toch is uit wetenschappelijk onderzoek niet gebleken dat hogere testosteronwaarden gezondheidsrisico's met zich meebrengen, al kan het in enkele uitzonderlijke gevallen wel op het levensbedreigende CAH wijzen. Echter, de anti-androgeen hormoontherapie die vrouwen dienen te nemen kan ook gepaard gaan met eigen bijwerkingen voor topatleten, zoals glucose-intolerantie, insuline resistentie, lever toxiciteit, misselijkheid, ... (Karkazis et al, 2012), die een negatieve invloed kunnen uitoefenen op de sportprestatie. Hoewel dus sommige vrouwen een mogelijk gezondheidsvoordeel kunnen ondervinden van medisch testen en ingrijpen, zal het bij de overgrote meederheid van vrouwen een hypothetisch voordeel zijn dat moet gewogen worden tegen de andere gevolgen van niet-noodzakelijk medisch ingrijpen. Deze andere gevolgen blijken uit een Franse studie , met vier jonge atletes van 18 tot 20 jaar, allen afkomstig uit ontwikkelingslanden (Fénichel et al, 2013). Dezelfde artsen die bij de atletes een te hoog testosteronniveau geconstateerd hadden, gingen over tot het stellen van een diagnose, het voorschrijven van medicatie en het verwijderen van de geslachtsklieren van de atletes. Bovendien werden bij de sportsters ook de clitoris verkleind en hun vagina geopereerd - medische procedures die niet in het protocol stonden. Katrina Karkazis en collega's (2012) wijzen op het gevaarlijke signaal dat hiermee wordt gegeven, nl. dat je alleen maar vrouw kan zijn als je er op een bepaalde manier uitziet, en ook op de gevolgen van de medische behandeling. De medicatie en de chirurgische behandeling zijn onomkeerbaar; het verkleinen van de clitoris leidt tot verminderde gevoeligheid en problemen met de seksualiteit, het verwijderen van geslachtsklieren leidt tot onvruchtbaarheid en de hormonen die gebruikt worden om hormoonniveaus te verlagen hebben bijwerkingen met mogelijk levenslange gezondheidsrisico’s. Als testosteron al tot een natuurlijk voordeel leidt, dan is de vraag nog steeds waarom andere natuurlijke voordelen niet op dezelfde medische manier worden aangepakt. Niemand zou er ooit op komen de benen van Usain Bolt in te korten, of sporters een seconde eerder te laten vertrekken in het kader van een gelijk speelveld (NNID, 2014). Voor vele belangen- en mensenrechtenorganisaties druist medisch ingrijpen in tegen de boodschappen die ze net willen uitdragen: dat medische behandeling voor een natuurlijke variatie in sekse kenmerken niet nodig is om succesvol te worden en de top te bereiken. Het IAAF geeft net het omgekeerde signaal.




Is testosteron het enige verschil tussen mannen en vrouwen?


Er zijn op zijn minst 6 biologische markers of variabelen van biologisch geslacht of sekse, waaronder chromosomen, geslachtsklieren, hormonen, secundaire sekse-kenmerken in de puberteit, externe en interne geslachtsorganen. Geen enkele van deze markers zijn binair- oftewel helemaal vrouwelijk, oftewel helemaal mannelijk. Bv. chromosomen, XX of XY zijn niet mannelijk of vrouwelijk. Er zijn ook mensen met XXY chromosomen, of XX chromosomen in sommige lichaamscellen en XY in andere lichaamscellen. Bij elke marker is er bovendien veel variatie mogelijk, zowel tussen personen als binnen dezelfde persoon. Testosteronwaarden bij vrouwen bijvoorbeeld verschillen niet alleen tussen vrouwen, maar zijn ook afhankelijk van het tijdstip van de dag, maand en levensfase waarop gemeten wordt. Sommige mensen zijn bovendien erg gevoelig voor het aanwezige testosteron, anderen niet (Karkazis et al, 2012). Er wordt vaak vanuit gegaan dat mensen met variaties in sekse-kenmerken heel uitzonderlijk zijn, omwille van hun complexe biologische achtergrond. Maar geslacht of sekse is bij iedereen complex. Er zijn verschillende biologische markers, maar geen enkele lijkt van doorslaggevend belang te zijn, omdat er geen enkele marker aanwezig is bij álle personen die man of vrouw zijn.




Welke regels gelden voor mannen?


Het IAAF protocol met regels rond testosteronwaarden geldt enkel voor vrouwen. Dat wil zeggen dat natuurlijk hoge testosteronwaarden bij mannen niet verder in vraag worden gesteld bij het bieden van extra competitief voordeel. Bovendien gaat het Anti-doping Agenschap er ook van uit dat mannen met natuurlijk lage testosteronwaarden extra testosteron mogen bijnemen zonder dat het als doping wordt beschouwd (Dreger, 2010).





© 2018 

Design & illustrations

by Nina Callens

Met de steun van