Wat vertel je en wanneer?
Er komt een moment dat het kind/jongere iets moet weten over zijn of haar lichaam en waarom dit misschien anders is dan bij leeftijdsgenoten. Maar hoe pak je dat als ouders en ook als zorgverleners aan?  Wanneer snijd je de reden van doktersbezoekjes aan? Van keuzes, onderzoeken en behandelingen? Van verminderde vruchtbaarheid of onvruchtbaarheid?

 

En wat vertel je als ouders of als persoon zelf binnen de familie? Hoeveel informatie moet je geven? Hoe snijd je het onderwerp van erfelijkheid aan indien dat speelt?

Praten over een variatie in sekse-kenmerken en al wat erbij komt kijken is maatwerk en er bestaat niet zoiets als de beste of juiste manier. Toch valt er veel te zeggen om dit stap voor stap te doen.

 

PRATEN MET HET KIND/JONGERE

Voor sommige ouders komt de vaststelling van een variatie in sekse-kenmerken hard aan. Het kost vaak tijd om die  boodschap emotioneel te verwerken. Moeders en vaders beleven dat vaak ook op een andere manier
2005). Enerzijds valt dit waarschijnlijk te verklaren door de verschillen in persoonlijkheid,  zoals de ouders zelf ook aanduiden.Ze reageren emotioneler, waar vaders nuchterder zijn (Callens, Longman & Motmans, 2017). Anderzijds zien we dat moeders zich meer zorgen maken dan de vaders. Bovendien weegt het gebrek aan erkenning van de omgeving voor de moeders zwaarder (Callens, Longman & Motmans, 2017). (De redenen voor) verschillen in beleving tussen partners dienen verder te worden onderzocht.

 

Ouders, en vooral moeders, verwachten vaak ook een vergelijkbare emotionele reactie bij hun jonge kinderen, maar in de praktijk blijkt dat kinderen dat nieuws vaak anders verwerken dan volwassenen (Rozendal & van Spijker, 2009). Veel ouders worden verrast door de relatief zorgeloze reactie die ze krijgen nadat ze met veel moeite zo ver zijn gekomen om over lichamen, doktersbezoeken of kinderen krijgen te praten!


Leeftijd speelt natuurlijk een belangrijke rol in wat een kind werkelijk kan begrijpen en wat de informatie met het kind doet. Hieronder is een overzicht van welke thema's per leeftijdsgroep kunnen besproken worden. Ook het karakter van een kind is een factor. Heeft het kind een optimistisch karakter en gaat er veel langs hem of haar heen, of is het kind gevoelig, een nadenker of 'opkropper'? 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

LEES MEER

Peuters en kleuters


Ook kleine kinderen hebben in zekere zin uitleg nodig, zij voelen namelijk wel de sfeer aan en pikken veel op. Jonge kinderen pikken bijvoorbeeld op dat ouders verdrietig zijn, maar begrijpen de reden niet altijd en kunnen denken dat het hun schuld is. Niet praten met kinderen maakt op korte termijn, maar vooral op lange termijn kinderen onzeker. Door geheimzinnig te doen breng je bovendien misschien ongewild over dat het om iets ernstigs gaat (Rozendal & van Spijker, 2009). Niet alle peuters/kleuters stellen vragen, al kunnen die er wel komen. Kinderen zijn van nature nieuwsgierig. Zij stellen vragen die volwassenen niet bedenken. Indien een kind een 'moeilijke' vraag stelt die je als ouders echt niet snel weet te beantwoorden, kan je altijd zeggen: ‘dat is een hele goede vraag, maar ik ben niet zeker hoe ik dat het makkelijkst kan uitleggen. Mag ik er eens over nadenken?'
Peuters/kleuters iets vertellen betekent (Rozendal & van Spijker, 2009):
• Hele concrete zaken vertellen.
• Mondjesmaat informatie geven op een heel eenvoudig niveau. • Niet meer vertellen dan strikt nodig is.
• Herhalen wat je verteld hebt.
• Voorleesboekjes gebruiken om zaken te verhelderen. Soms zijn er ook spontane situaties waarbij een kind kan leren dat iedereen verschillend is (‘laat ons eens tellen hoeveel mensen in de supermarkt een bril dragen/ zwart haar hebben/ groot zijn/ klein zijn/ in een rolstoelzitten, etc). Jonge kinderen verwerken heel veel in spel en dat kan een natuurlijke manier zijn om op 'moeilijke' vragen te antwoorden of het over 'moeilijkere' thema's te hebben. Via kinderboeken -waarbij de held of heldin van het verhaal wel altijd iets speciaals hebben- leren kinderen bovendien dat ze niet alleen zijn, dat iedereen eigenlijk een beetje anders is, dat we allemaal wel eens schrik hebben van wat andere mensen denken en dat dat eigenlijk niet hoeft. Zulke boekjes openen deuren om gesprekken verder te voeren: ‘Weet je nog, die vogel die...’ Hoe sommige ouders het hebben aangepakt en wat hun ervaringen daarbij zijn,kan je hier lezen (in het Engels).




7-12 jaar


Vanaf de leeftijd van ongeveer zeven jaar zijn kinderen in staat een concrete verklaring te begrijpen. Kinderen zoeken weliswaar vooral verklaringen in wat ze kunnen zien, niet in wat ze niet kunnen zien. Iemand is in de ogen van een kind van deze leeftijd niet anders, als er geen zichtbare verschillen zijn (Rozendal & van Spijker, 2009). Het gedrag van kinderen in deze leeftijdsgroep is vooral gebaseerd op straf en beloning. Ze willen straf en afkeuring vermijden, dus ze proberen zoveel als mogelijk te beantwoorden aan wat er van hen verwacht wordt. Het nieuws van een verschil of variatie in het lichaam, kan gezien worden als een straf, iets dat ze niet goed hebben gedaan. Het helpt te benadrukken dat je kind ermee geboren is, en dat je daar nooit schuld aan kunt hebben (Rozendal & van Spijker, 2009).
Kinderen vanaf tien jaar kunnen begrijpen dat een lichaam zich op verschillende manieren kan ontwikkelen (of dat er verschillende wegen zijn om van punt A naar B te gaan), en dat dat ons elk anders maakt. Ze begrijpen ook meer van het begrip erfelijkheid en dat we fysieke eigenschappen of karaktereigenschappen doorkrijgen van onze ouders. Een visueel (Engelstalig) boekje dat hierop inspeelt, vind je hier. Vanaf deze leeftijd kunnen kinderen zich ook een beeld vormen van de toekomst, en staan ze niet langer alleen stil bij de concrete werkelijkheid van het hier en nu. Kinderen leren ook omgaan met kansen en risico's, bijvoorbeeld van erfelijkheid en onvruchtbaarheid. Het kinderboek ‘Een kleine kans’ van Marjolijn Hof beschrijft dat mooi. Wat betreft doktersonderzoeken, informeer je kinderen vooraf zo best zo concreet mogelijk over wat hen te wachten staat. Ze willen weten wat er werkelijk gaat gebeuren: of het pijn doet, drukt of knelt, is een apparaat koud of warm, in welke lichaamshouding vindt het onderzoek plaats, naar welke informatie zal de dokter vragen etc. Bedenk vooraf samen met je kind wat houvast kan geven als het opziet tegen een onderzoek. Welke hulpmiddeltjes kan het gebruiken om ter plekke angst, hinder of kortdurende pijn (bv bij bloedprikken) te verminderen? De fantasie van je kind kan hierbij helpen. Een mooie steen of knikker in hun zak bijvoorbeeld kan hen 'kracht' geven tijdens het bloedprikken. Als een kind aangeeft dat het een bepaald lichaamsonderzoek dat niet medisch noodzakelijk (bv genitaal onderzoek) echt niet wil, probeer dat dan ook te respecteren als ouder. Heel wat ouders willen hun kind ‘beschermen’, hun kind zo lang mogelijk ‘kind laten zijn’ en stellen het uit om het over variaties in lichamen, behandelingen of keuzes en vruchtbaarheid te hebben in het teken van een 'onbezorgde jeugd'. Natuurlijk wordt het kind met een lastig onderwerp belast en het is moeilijk om van tevoren de reacties goed in te schatten. Het vergt ook van ouders een zekere moed en ouders moeten kunnen omgaan met de eigen emoties. Dit betekent dat ze eerst zelf een zekere balans moet hebben gevonden in het omgaan met de uitslagen van de onderzoeken en de consequenties van de variatie. Heel wat volwassenen met variaties in sekse-kenmerken geven echter aan wel dat dat als kinderen het gevoel hebben dat ze steeds terecht kunnen bij hun ouders of gezin met vragen en dat er open over gecommuniceerd kan worden, dat dat ook zelfvertrouwen in de hand kan werken. Openheid geeft het kind een basis van vertrouwen en gelijkwaardigheid. Een kind leert zo dat hij met vragen bij zijn ouders terecht kan. En de ouders hoeven geen onwaarheden te vertellen, die ze later weer moeten terugnemen. Kinderen die veel openheid ervaren en al vroeg begrijpen waarom ze bij de dokter komen en betrokken worden in het maken van medische beslissingen, hebben later meer greep op de situatie en hebben het ook makkelijker hebben om hun lichaam te aanvaarden (Rozendal & van Spijker, 2009). Van belang is dat kinderen door de jaren heen zelf de touwtjes in handen krijgen over hun eigen lichaam en gezondheid, en dat kan alleen als ze ook worden ingelicht.




Pubers


Jongeren hebben in deze fase al hun handen vol aan hun eigen lichaamsveranderingen (of uitblijven van die veranderingen). Daarnaast maken ze zich los van hun ouders en zoeken de grenzen hierin op. Ze ontwikkelen zich op het gebied van relaties. De mening van leeftijdgenoten telt sterk. Ze ontdekken en ontwikkelen hun identiteit en hun seksuele geaardheid. Ze groeien dus van kind naar volwassene. Dit vraagt veel energie en uitproberen. Dat alles maakt hen soms onzeker en kwetsbaar. Als een jongere in de puberteit nog helemaal van niets weet, kan de informatie veel verwarring geven. Sommige variaties in sekse-kenmerken worden echter pas voor het eerst 'ontdekt' in de puberteit. Soms bevestigt die informatie alleen maar wat de jongere al (onbewust) vermoedde of aanvoelde. Als ouder kan je uiteenlopende reacties verwachten. Ze zijn allemaal 'normaal' en begrijpelijk; ook boosheid. Probeer een 'gedeelde' taal met de jongere te ontwikkelen over de variatie in sekse-kenmerken, en vraag ook welke woorden zij verkiezen om erover te spreken. Dokters en artsen zullen soms medische woorden gebruiken in consultaties die voor de jongere zelf niet echt gewenst zijn en die ook een impact hebben op hun zelfbeleving. Vragen aan de jongere wat de impact van sommige woorden is, en hen vragen hoe ze willen dat andere mensen hun variatie begrijpen, kan hen helpen om met een eigen woordenschat op de proppen te komen die voor henzelf goed voelt en inspeelt op hun sociale en emotionele behoeften, en hen tegelijk ook autonomie geeft. Veel volwassenen kijken op tegen moeilijke gesprekken met hun kinderen, maar anderzijds gaan jongeren er soms ook van uit dat er met hun ouders toch niet te praten valt. Ze zijn zich ook van hun ouders aan het losmaken. Het is goed dit aan te moedigen als je kind ervoor kiezen om buiten het gezin vertrouwelijk te praten over de vragen en zorgen die hen bezighouden.
Stimuleer ook andere kanalen om zich te uiten; veel jongeren zijn geen praters. Ze overdenken en voelen veel maar kunnen er moeilijk woorden voor vinden. Samen regelmatig een activiteit doen geeft een sfeer van samenhorigheid en nodigt uit tot spontaan bespreken.Forceer wel niets, want dan bestaat ook het risico dat je je kind meer belast met je zorgen dan je eigenlijk wil. Ten slotte kan ook contact voor de jongere zelf met leeftijdsgenoten met een gelijkaardige ervaring/conditie veel ondersteuning en perspectief bieden; anderzijds ook voor de ouders met andere ouders.





Gebaseerd op Magritte (2012) en Cools et al. (2018)

        OVERZICHT THEMA'S PER LEEFTIJDSGROEP

© Nina Callens

GETUIGENISSEN 

 

 

Hieronder is een selectie van Nederlandstalige verhalen en getuigenissen. Voor meer verhalen, zie dsdnederland.nl en  cyberpoli.nl. 

Wil je zelf (anoniem) je verhaal delen? Contacteer ons dan hier.

Voor Engelstalige getuigenissen, kan je terecht op dsdteens.orgdsdfamilies.org, aisdsd.org en interface project.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Andrea is de mama van Inge (12j), geboren met partiële gonadale dysgenesie.

Bron: cyperpoli.nl

Marleen (26j) is geboren met het compleet androgeen ongevoeligheidssyndroom.

Bron: cyberpoli.nl

Jim (18j) is geboren met hypospadie. Lees zijn verhaal. 

Bron: cyberpoli.nl

Inge (12j) is geboren met partiële gonadale dysgenesie. Lees haar verhaal. Bron: cyberpoli.nl

Marjon (35) en Robert (36) zijn de ouders van Mila (5), geboren met partieel androgeen ongevoeligheidssyndroom. Lees hun verhaal. Bron: cyberpoli.nl

 

TIPS VAN OUDERS VOOR OUDERS

Peuters en kleuters


Ook kleine kinderen hebben in zekere zin uitleg nodig, zij voelen namelijk wel de sfeer aan en pikken veel op. Jonge kinderen pikken bijvoorbeeld op dat ouders verdrietig zijn, maar begrijpen de reden niet altijd en kunnen denken dat het hun schuld is. Niet praten met kinderen maakt op korte termijn, maar vooral op lange termijn kinderen onzeker. Door geheimzinnig te doen breng je bovendien misschien ongewild over dat het om iets ernstigs gaat (Rozendal & van Spijker, 2009). Niet alle peuters/kleuters stellen vragen, al kunnen die er wel komen. Kinderen zijn van nature nieuwsgierig. Zij stellen vragen die volwassenen niet bedenken. Indien een kind een 'moeilijke' vraag stelt die je als ouders echt niet snel weet te beantwoorden, kan je altijd zeggen: ‘dat is een hele goede vraag, maar ik ben niet zeker hoe ik dat het makkelijkst kan uitleggen. Mag ik er eens over nadenken?'
Peuters/kleuters iets vertellen betekent (Rozendal & van Spijker, 2009):
• Hele concrete zaken vertellen.
• Mondjesmaat informatie geven op een heel eenvoudig niveau. • Niet meer vertellen dan strikt nodig is.
• Herhalen wat je verteld hebt.
• Voorleesboekjes gebruiken om zaken te verhelderen. Soms zijn er ook spontane situaties waarbij een kind kan leren dat iedereen verschillend is (‘laat ons eens tellen hoeveel mensen in de supermarkt een bril dragen/ zwart haar hebben/ groot zijn/ klein zijn/ in een rolstoelzitten, etc). Jonge kinderen verwerken heel veel in spel en dat kan een natuurlijke manier zijn om op 'moeilijke' vragen te antwoorden of het over 'moeilijkere' thema's te hebben. Via kinderboeken -waarbij de held of heldin van het verhaal wel altijd iets speciaals hebben- leren kinderen bovendien dat ze niet alleen zijn, dat iedereen eigenlijk een beetje anders is, dat we allemaal wel eens schrik hebben van wat andere mensen denken en dat dat eigenlijk niet hoeft. Zulke boekjes openen deuren om gesprekken verder te voeren: ‘Weet je nog, die vogel die...’ Hoe sommige ouders het hebben aangepakt en wat hun ervaringen daarbij zijn,kan je hier lezen (in het Engels).




7-12 jaar


Vanaf de leeftijd van ongeveer zeven jaar zijn kinderen in staat een concrete verklaring te begrijpen. Kinderen zoeken weliswaar vooral verklaringen in wat ze kunnen zien, niet in wat ze niet kunnen zien. Iemand is in de ogen van een kind van deze leeftijd niet anders, als er geen zichtbare verschillen zijn (Rozendal & van Spijker, 2009). Het gedrag van kinderen in deze leeftijdsgroep is vooral gebaseerd op straf en beloning. Ze willen straf en afkeuring vermijden, dus ze proberen zoveel als mogelijk te beantwoorden aan wat er van hen verwacht wordt. Het nieuws van een verschil of variatie in het lichaam, kan gezien worden als een straf, iets dat ze niet goed hebben gedaan. Het helpt te benadrukken dat je kind ermee geboren is, en dat je daar nooit schuld aan kunt hebben (Rozendal & van Spijker, 2009).
Kinderen vanaf tien jaar kunnen begrijpen dat een lichaam zich op verschillende manieren kan ontwikkelen (of dat er verschillende wegen zijn om van punt A naar B te gaan), en dat dat ons elk anders maakt. Ze begrijpen ook meer van het begrip erfelijkheid en dat we fysieke eigenschappen of karaktereigenschappen doorkrijgen van onze ouders. Een visueel (Engelstalig) boekje dat hierop inspeelt, vind je hier. Vanaf deze leeftijd kunnen kinderen zich ook een beeld vormen van de toekomst, en staan ze niet langer alleen stil bij de concrete werkelijkheid van het hier en nu. Kinderen leren ook omgaan met kansen en risico's, bijvoorbeeld van erfelijkheid en onvruchtbaarheid. Het kinderboek ‘Een kleine kans’ van Marjolijn Hof beschrijft dat mooi. Wat betreft doktersonderzoeken, informeer je kinderen vooraf zo best zo concreet mogelijk over wat hen te wachten staat. Ze willen weten wat er werkelijk gaat gebeuren: of het pijn doet, drukt of knelt, is een apparaat koud of warm, in welke lichaamshouding vindt het onderzoek plaats, naar welke informatie zal de dokter vragen etc. Bedenk vooraf samen met je kind wat houvast kan geven als het opziet tegen een onderzoek. Welke hulpmiddeltjes kan het gebruiken om ter plekke angst, hinder of kortdurende pijn (bv bij bloedprikken) te verminderen? De fantasie van je kind kan hierbij helpen. Een mooie steen of knikker in hun zak bijvoorbeeld kan hen 'kracht' geven tijdens het bloedprikken. Als een kind aangeeft dat het een bepaald lichaamsonderzoek dat niet medisch noodzakelijk (bv genitaal onderzoek) echt niet wil, probeer dat dan ook te respecteren als ouder. Heel wat ouders willen hun kind ‘beschermen’, hun kind zo lang mogelijk ‘kind laten zijn’ en stellen het uit om het over variaties in lichamen, behandelingen of keuzes en vruchtbaarheid te hebben in het teken van een 'onbezorgde jeugd'. Natuurlijk wordt het kind met een lastig onderwerp belast en het is moeilijk om van tevoren de reacties goed in te schatten. Het vergt ook van ouders een zekere moed en ouders moeten kunnen omgaan met de eigen emoties. Dit betekent dat ze eerst zelf een zekere balans moet hebben gevonden in het omgaan met de uitslagen van de onderzoeken en de consequenties van de variatie. Heel wat volwassenen met variaties in sekse-kenmerken geven echter aan wel dat dat als kinderen het gevoel hebben dat ze steeds terecht kunnen bij hun ouders of gezin met vragen en dat er open over gecommuniceerd kan worden, dat dat ook zelfvertrouwen in de hand kan werken. Openheid geeft het kind een basis van vertrouwen en gelijkwaardigheid. Een kind leert zo dat hij met vragen bij zijn ouders terecht kan. En de ouders hoeven geen onwaarheden te vertellen, die ze later weer moeten terugnemen. Kinderen die veel openheid ervaren en al vroeg begrijpen waarom ze bij de dokter komen en betrokken worden in het maken van medische beslissingen, hebben later meer greep op de situatie en hebben het ook makkelijker hebben om hun lichaam te aanvaarden (Rozendal & van Spijker, 2009). Van belang is dat kinderen door de jaren heen zelf de touwtjes in handen krijgen over hun eigen lichaam en gezondheid, en dat kan alleen als ze ook worden ingelicht.




Pubers


Jongeren hebben in deze fase al hun handen vol aan hun eigen lichaamsveranderingen (of uitblijven van die veranderingen). Daarnaast maken ze zich los van hun ouders en zoeken de grenzen hierin op. Ze ontwikkelen zich op het gebied van relaties. De mening van leeftijdgenoten telt sterk. Ze ontdekken en ontwikkelen hun identiteit en hun seksuele geaardheid. Ze groeien dus van kind naar volwassene. Dit vraagt veel energie en uitproberen. Dat alles maakt hen soms onzeker en kwetsbaar. Als een jongere in de puberteit nog helemaal van niets weet, kan de informatie veel verwarring geven. Sommige variaties in sekse-kenmerken worden echter pas voor het eerst 'ontdekt' in de puberteit. Soms bevestigt die informatie alleen maar wat de jongere al (onbewust) vermoedde of aanvoelde. Als ouder kan je uiteenlopende reacties verwachten. Ze zijn allemaal 'normaal' en begrijpelijk; ook boosheid. Probeer een 'gedeelde' taal met de jongere te ontwikkelen over de variatie in sekse-kenmerken, en vraag ook welke woorden zij verkiezen om erover te spreken. Dokters en artsen zullen soms medische woorden gebruiken in consultaties die voor de jongere zelf niet echt gewenst zijn en die ook een impact hebben op hun zelfbeleving. Vragen aan de jongere wat de impact van sommige woorden is, en hen vragen hoe ze willen dat andere mensen hun variatie begrijpen, kan hen helpen om met een eigen woordenschat op de proppen te komen die voor henzelf goed voelt en inspeelt op hun sociale en emotionele behoeften, en hen tegelijk ook autonomie geeft. Veel volwassenen kijken op tegen moeilijke gesprekken met hun kinderen, maar anderzijds gaan jongeren er soms ook van uit dat er met hun ouders toch niet te praten valt. Ze zijn zich ook van hun ouders aan het losmaken. Het is goed dit aan te moedigen als je kind ervoor kiezen om buiten het gezin vertrouwelijk te praten over de vragen en zorgen die hen bezighouden.
Stimuleer ook andere kanalen om zich te uiten; veel jongeren zijn geen praters. Ze overdenken en voelen veel maar kunnen er moeilijk woorden voor vinden. Samen regelmatig een activiteit doen geeft een sfeer van samenhorigheid en nodigt uit tot spontaan bespreken.Forceer wel niets, want dan bestaat ook het risico dat je je kind meer belast met je zorgen dan je eigenlijk wil. Ten slotte kan ook contact voor de jongere zelf met leeftijdsgenoten met een gelijkaardige ervaring/conditie veel ondersteuning en perspectief bieden; anderzijds ook voor de ouders met andere ouders.





 

PRATEN IN HET GEZIN

Er werd al aangegeven dat ouders soms een andere beleving kunnen hebben over 

- de impact van de variatie

- hoe ze daarmee omgaan

- over behandelingen en zorg - toekomstverwachtingen

In heel wat gezinnen wordt daar niet echt openlijk over gepraat (Jones et al, 2016; Callens, Longman & Motmans, 2017). 

 

Soms hebben ouders zelf niet geleerd om open te zijn over bepaalde thema's zoals lichaamsbeleving en puberteit, en weten ze niet hoe ze het erover moeten hebben met hun eigen kind en gezin.

 

Soms begrijpen ouders zelf niet goed wat er allemaal speelt, en willen ze geen verkeerde informatie doorgeven aan hun kind,   of ze willen hun kind niet nodeloos opzadelen met zorgen.

 

Hoewel een zekere mate van bescherming van het kind zeker zijn plaats heeft is, kan dat ook negatieve effecten hebben binnen het gezin en tot familiespanningen leiden met de jongere later (Jones et al., 2016; Sanders et al, 2012).

​Als jongeren met beperkte informatie over hun eigen lichaam opgroeien,  bestaat het risico dat ze hun eigen zorg op latere leeftijd niet in eigen handen kunnen nemen (Sanders et al, 2015).

Heel wat verhalen van ouders tonen aan dat de invloed van een kind met een variatie in sekse-kenmerken op het gezinsleven niet alleen negatief is. Ouders ervaren ook positieve aspecten. We zien hoe deze ouders veerkracht ontwikkelen door het samen bedenken van oplossingen in hun eigen specifieke situatie, en ze gaan ook meer relativeren (Callens, Longman & Motmans, 2017; Magritte, 2012). 

Het betrekken van andere gezinsleden, zoals broers en zussen in discussies rond lichamen en lichaamsontwikkeling kan de focus op het kind/jongere zelf ook verleggen en andere vergelijkingspunten bieden. Ouders stellen het inlichten van de broers en zussen vaak helaas zolang mogelijk uit tot dit niet langer meer mogelijk is. Maar daardoor kunnen broers en zussen aan hun eigen broers/zussen maar beperkte steun bieden.  Bovendien kan de erfelijkheid van een variatie (als daar sprake van is) ook gevolgen hebben voor deze andere kinderen in het gezin en bij een eventuele kinderwens. 

We delen nog enkele tips die ouders ons hebben meegegeven. Wil je zelf ook je tips kwijt? Of je verhaal (anoniem) achterlaten? Dat kan hier.

TIPS

  Sta open voor onderlinge partner- en gezinsverschillen in opvattingen als het gaat om omgaan met de variatie, behandeling en medische adviezen. Er is in deze namelijk geen goed of fout. leder heeft vanuit zijn eigen achtergrond tijd nodig om informatie te begrijpen en de emotionele impact ervan voor zichzelf na te gaan; er is (meestal) geen haast om tot beslissingen te komen

  Naar kinderen toe laat je zien dat ieder op eigen wijze zorgt voor zijn of haar lichaam en gezondheid en daar tenslotte zelf verantwoordelijk voor is. Je doet dat vanuit de informatie die je gekregen hebt en vanuit je beste bedoelingen; voor elk gezin geleden andere prioriteiten.

  leder gezin zal weer iets anders omgaan met de adviezen van de specialisten. En ook specialisten onderling kunnen over het opvolgen van behandelingen enigszins van mening verschillen.

  Betrekken van broers en zussen kan sociale steun in het gezin verbeteren en tot meer positieve gezinsrelaties leiden. Maar verlies ook onderling contact in het gezin niet uit het oog. Bij teveel zorgen over het kind/jongere met de variatie in het gezin is het moeilijk ieder kind de aandacht te geven die het nodig heeft.  Het kan helpen als iedere ouder afzonderlijk, met ieder kind apart regelmatig een activiteit doet waaraan je samen plezier beleeft.

  Geef elkaar de ruimte door naar elkaar te luisteren, voor het overwegen van vragen en voor verbondenheid.

© Nina Callens
 

ANDERE FAMILIELEDEN

Onderzoek stelt dat familie een bron is van praktische en emotionele ondersteuning.

 

Bij ouders van kinderen met een variatie in sekse-kenmerken komt die ondersteuning via familie echter met een opgeven van een deel van de 'privacy' van het kind, wat niet alle ouders willen doen. Bovendien kunnen reacties van de familie ook onaangenaam of nieuwsgierig zijn. Daardoor staan ouders soms erg alleen binnen de familie (Sanders et al, 2012; Callens, Longman & Motmans, 2017).

 

Voor sommige ouders kunnen grootouders wel een grote hulpbron zijn, tenzij er eerdere conflicten met de familie spelen.  De ouders lijken vooral voor praktische hulp bij hun eigen ouders terecht te kunnen. Sommige ouders willen wel hun eigen ouders niet te zwaar belasten. Andere ouders geven aan dat ze bij de grootouders niet terecht te kunnen voor emotionele ondersteuning, omdat er onder meer meningsverschillen zijn over de beste manier van (zorg)aanpak. 

Onderzoek toont aan dat in het algemeen vaak veel geheimzinnigheid heerst in de familie rond de variatie in sekse-kenmerken.  In een Australisch onderzoek hiernaar (Jones et al. 2016) werd duidelijk dat heel wat personen zelf met een variatie in sekse-kenmerken dachten dat er wel andere mensen waren in de familie met dezelfde variatie,  maar dat dit niet geverifieerd kon worden, omdat personen al waren overleden, of omdat er gewoon niet over mocht gesproken worden omdat het zo'n taboe was. Vooral als het gaat om erfelijke variaties kan die geheimzinnigheid doorwegen. Het kan ook tot een heftigere beleving van de variatie leiden ('het zwarte schaap van de familie'),  en ook sociale isolatie , schaamte en schuld in de hand werken.

ERFELIJKHEID

Genetisch onderzoek heeft niet alleen gevolgen voor de geteste persoon zelf, maar ook voor zijn of haar familie. Wanneer een genetische variatie wordt ontdekt via onderzoek,  kunnen ook de ouders, kinderen, broers en zussen van deze persoon die variatie dragen. In hoeverre, hoe en wanneer moeten deze familieleden hiervan op de hoogte worden gebracht? En door wie? De persoon die werd getest of een arts? En wat met het recht om geïnformeerd te worden ten opzichte van het recht om niet te weten?  (Raeymaekers & Van Hoof, 2018)

Genetisch testen kan een eerste stap zijn om het over een variatie in sekse-kenmerken met andere familie-leden te hebben. Hoewel dit een positief proces kan zijn, waarbij door te praten over erfelijkheid met familieleden,  onderlinge steun en goed contact helpt, moet het ook een keuze zijn van de persoon zelf.

 

In België ligt de nadruk op het beroepsgeheim van de arts, waardoor die zonder toestemming van de persoon zelf de informatie niet met met zijn/haar familie mag delen. 

Moeten artsen betere middelen krijgen om hun beroepsgeheim te doorbreken? Hoe moet iemands recht-op-niet-weten afgewogen worden tegen zijn/haar gezondheid en welzijn? Moeten mensen begeleid worden wanneer ze de keuze moeten maken of ze zich wel of niet willen laten testen?  Op welke manier? Hoe moeten ze begeleid worden na de test? (Raeymaekers & Van Hoof, 2018)

Genetische specialisten, die meer dan vroeger gebonden zijn aan ethische en professionele regels, kunnen families en individuelen helpen navigeren doorheen de gevolgen van genetische testing, en nagaan wat het betekent voor de relatie van het individu met zichzelf en met anderen in de familie (Liao & Simmonds, 2013).

 

Bronnen


Artikels en boeken Callens, N. (2014). The past, the present, the future. Genital treatment practices in Disorders of Sex Development under scrutiny. PhD Thesis, Ghent University, Belgium. Callens, N., Longman, C., & Motmans, J. (2017). Intersekse/DSD in Vlaanderen. Beleidsrapport in opdracht van Vlaamse Minister voor Gelijke Kansen. Universiteit Gent.
Cools M, Nordenström A, Robeva R, Hall J, Westerveld P, Flück C, Köhler B, Berra M, Springer A, Schweizer K, Pasterski V; COST Action BM1303 working group 1 (2018). Caring for individuals with a difference of sex development (DSD): a Consensus Statement. Nat Rev Endocrinol.; 14(7):415-429. Jones, T, Hart, B. , Carpenter, M., Ansara,G. Leonard, W. Lucke, J. (2016). Intersex: Stories and Statistics from Australia. Cambridge, UK: Open. Book Publishers. Liao, L.-M., & Simmonds, M. (2013). Communicating with clients affected by diverse sex development. In J. Wiggins & A. Middleton (Eds.), Get- ting the Message Across: Communication with Diverse Populations in Clinical Genetics (pp. 42-60). New York: Oxford. Magritte, E. (2012). Working together in placing the long term interests of the child at the heart of the DSD evaluation.J Pediatr Urol. 8(6):571-5. Rozendal, B.A.W., van Spijker, H.G.(2009). Praten met kinderen over ziekte en erfelijkheid. UMC Utrecht en Radboud Nijmegen. Sanders C, Carter B, Goodacre L. (2012). Parents need to protect: influences, risks and tensions for parents of prepubertal children born with ambiguous genitalia. J Clin Nurs. 21(21-22):3315-23.
Sanders C, Carter B, Lwin R. (2015). Young women with a disorder of sex development: learning to share information with health professionals, friends and intimate partners about bodily differences and infertility. J Adv Nurs.71(8):1904-13 Wisniewski, A.B., Chernausek, S.D., Kropp, B.P. (2012). Disorders of Sex Development: A guide for parents and physicians. Johns Hopkins University Press: Baltimore. Brochures
dsdfamilies.org - Als je baby geboren wordt met geslachtsdelen die er anders uitzien UZ Gent- Congenitale bijnierschorshyperplasie Raeymaekers, P. & Vanhoof, W. (2018) met KBS- Mijn DNA, een zaak van iedereen? Maatschappelijk debat rond het gebruik van genoominformatie in de gezondheidszorg Websites www.dsdnederland.nl www.dsdfamilies.org www.dsdteens.org





© 2018 

Design & illustrations

by Nina Callens

Met de steun van