• Primaire sekse-kenmerken ontstaan bij de bevruchting en ontwikkelen zich verder tijdens de zwangerschap. Deze ontwikkeling is te vergelijken met een rij domino-blokjes: als het ene blokje valt, doet het het andere blokje ook vallen.  Op een gelijkaardige manier zet de ontwikkeling van het ene sekse-kenmerk de ontwikkeling van andere sekse-kenmerken in gang.      

Bij sekse-kenmerken gaat het over onze lichamelijke, biologische achtergrond.

Er is een verschil tussen primaire en secundaire kenmerken:

Het eerste blokje in de geslachtsontwikkeling is de chromosomen en genen waarmee we worden geboren. Die genen beïnvloeden de ontwikkeling van onze inwendige geslachtsklieren,  zowel de vorm als het type ervan (eierstokken, teelballen, of een ander type). Deze geslachtsklieren zetten het derde blokje in gang, de productie van hormonen. Afhankelijk van hoe het lichaam op die hormonen reageert, ontwikkelen zich andere inwendige (zoals baarmoeder, prostaat) en uitwendige (zoals penis, clitoris) geslachtsorganen.

  • Secundaire sekse-kenmerken ontstaan pas in de puberteit, zoals borstontwikkeling, lichaam- en gezichtsbeharing, en zijn afhankelijk van de werking van hormonen.

We overlopen elk van deze sekse-kenmerken en hun ontwikkeling apart, ook al werken ze dus nauw samen.

?

Zijn gender-identiteit en seksuele oriëntatie ook sekse-kenmerken?

  • Gender-identiteit (hoe we ons voelen, als man of vrouw bijvoorbeeld), en 

  • Seksuele oriëntatie (tot wie we romantisch of seksueel worden aangetrokken)

       zijn géén sekse-kenmerken.

 

1. SEKSE-CHROMOSOMEN  

Chromosomen bestaan uit genen die onze erfelijke informatie bevatten. Ze beïnvloeden de opbouw van ons lichaam – hoe groot we zullen worden, met welke oogkleur we het leven tegemoet gaan, maar evengoed onze aanleg voor kaal of grijs worden.

 

We erven chromosomen met hun genen van onze biologische ouders. Soms zijn dat 46 chromosomen, maar evengoed kunnen dat er 45, 47 of 48 zijn. (Een deel) van die chromosomen zijn sekse-of geslachtschromosomen, met een vorm die met enige verbeelding lijkt op een X of Y.  

 

 

Bij de bevruchting, worden de de  X’en en/of Y’chromosomen van de ei-en zaadcel samengevoegd. Vaak geven biologische ouders elk één sekse-chromosoom door, heel soms geven ze meerdere sekse-chromosomen door.

We krijgen dan een cel (zygote) met een nieuwe combinatie van geslachtschromosomen. Die cel zal zichzelf verder kopiëren (“delen”) totdat er uiteindelijk  zoveel nieuwe lichaamscellen zijn dat er sprake is van een foetus.

 

Soms is het zo dat er in sommige lichaamscellen er  een bepaalde combinatie geslachtschromosomen is (bv XX) en in andere lichaamscellen een andere combinatie (bv XY) . We spreken dan van een mozaiek-patroon (aangeduid bv als XY/XX).

Sekse –of geslachtschromosomen bestaan dus in verschillende aantallen en combinaties. Sommige mensen hebben één sekse-chromosoom (één X bijvoorbeeld, ook aangeduid al 45, X), anderen hebben er twee, drie , vier, vijf of zes (aangeduid als 46, XX of 46 XY;  47 XXY;  48 XXXY, .. bijvoorbeeld). En nog anderen hebben dus een mozaiek (bv 45 X/46, XY). Ons chromosomenpatroon wordt in medische termen ook ‘karyotype’ genoemd.

Toen in het begin van de 20e eeuw geslachtschromosomen werden ontdekt, werd er (te) snel van uitgegaan dat mannen en vrouwen van elkaar verschillen omwille van de aan-of afwezigheid van een Y-chromosoom. Het Y chromosoom werd destijds als het ‘mannelijk’ chromosoom bestempeld, en nu nog wordt dat in onze biologielessen op school, in de media of soms door artsen verder bekrachtigd. Toch zijn geslachtschromosomen op zich niet ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’ en kunnen ze ook niet voorspellen hoe we onszelf als man of vrouw zullen voelen. Vrouwen kunnen evengoed XY chromosomen hebben of zich ook met 1 X chromosoom vrouw voelen;  mannen kunnen bijvoorbeeld XX chromosomen hebben en zich ook man voelen met een extra X –chromosoom (XXY).  

 

Wetenschappelijke studies tonen aan dat het niet het Y-chromosoom of geslachtschromosomen in het algemeen, maar wel de productie van hormonen door onze geslachtsklieren en de reactie van onze lichamen daarop (meer) bepalend zullen zijn voor hoe we onszelf zullen voelen als man of vrouw. Toch blijft de idee dat XY= mannen en XX= vrouwen, of Y= mannelijk ons hardnekkig achtervolgen. Waarom is het zo moeilijk ons denken hierover te veranderen? 

?

Hebben mannen en vrouwen andere chromosomen?

 

2. GENEN EN GESLACHTSKLIEREN  

Verschillende genen op onze geslachtschromosomen beinvloeden de verdere vorm van onze geslachtsklieren, ook wel gonaden genoemd.

Type geslachtsklieren

 

Tijdens de eerste 6 weken van de prenatale ontwikkeling ontwikkelen zich oergeslachtsklieren of oergonaden. Die oerklieren zijn bij iedereen eerst dezelfde, en zijn multipotentieel, wat betekent dat ze kunnen uitgroeien tot

  • ofwel twee eierstokken (ovaria),

  • ofwel twee teelballen (testes)

  • of één eierstok en één teelbal

  • of twee geslachtsklieren die zowel eierstok- als  teelbalweefsel bevatten (ovotestes)

  • of streak gonaden,  waarbij de oergeslachtsklieren niet verder uitgroeien tot eierstokken, teelballen, of een combinatie daarvan,  en ongedifferentieerd weefsel (bindweefselstrengen) bevatten 

Genen

Genen en eiwitten op de geslachtschromosomen werken nauw met elkaar samen om het type geslachtsklier te bepalen. Activatie van bepaalde genen zet werking van andere genen en eiwitten in gang, maar onderdrukt ook tegelijkertijd de werking van nog andere genen en eiwitten. Die tegengestelde werking vormt de basis van de ontwikkeling van onze geslachtsklieren en ook andere reproductieve organen.


Bijvoorbeeld

Een gen dat een grote invloed uitoefent, is het SRY gen. Dit gen is vaak, maar niet altijd, gelegen op het Y-chromosoom. 

 

Als dit SRY gen is geactiveerd (in samenwerking met andere genen en eiwitten),  ontwikkelen de oergonaden zich verder tot teelballen, en wordt de eierstokontwikkeling onderdrukt.

Locatie van de gonaden

Eierstokken zitten steeds in de buikholte.

 

Andere types gonaden (teelballen, ovotestes, streak gonaden, ...) kunnen zich in verschillende posities bevinden.

 

Dat wordt beïnvloed door de inwerking van hormonen.

 

Hormonen zoals Insuline-like peptide 3 (INSL-3) en Anti-Mülleriaans Hormoon (AMH) zorgen voor een indaling van de gonaden van hoger gelegen plaatsen in de buikholte naar lager gelegen plaatsen in de buikholte.

 

Androgenen (waaronder testosteron) zorgen voor een nog verdere indaling via het lieskanaal naar beneden.

Soms gebeurt de indaling van gonaden al op het einde van de zwangerschap, vanaf de 7e maand; soms gebeurt dit pas tijdens de eerste weken na de geboorte. En soms dalen (één van de) gonaden helemaal niet in. Elke gonade ondergaat dit proces onafhankelijk van de andere gonade. Er kan dus één gonade hoger liggen dan de andere. 

 

3. HORMONEN EN ANDERE INWENDIGE REPRODUCTIEVE STRUCTUREN               

Naast oergeslachtsklieren, starten we ook allemaal met twee sets van inwendige reproductieve oerstructuren:

 

  • De eerste set structuren zijn voorlopers van de Müllerse structuren, die verder kunnen uitgroeien tot baarmoeder, (bovenste deel van de ) vagina en eileiders.

  • De tweede set structuren zijn voorlopers van de Wolffse structuren, die verder kunnen uitgroeien tot bijballen, zaadleiders, zaadblaasjes, en prostaat.

De hormonen Testosteron (T) en Anti-Mülleriaans Hormoon (AMH) die geproduceerd worden door de gonaden,  zullen vooral bepalen welke structuren verder zullen groeien, en welke groei van structuren wordt afgeremd.

Belangrijk om te weten bij hormonen is dat 

1. ze in grote of kleine hoeveelheden kunnen worden aangemaakt en

2. het lichaam er ook gevoelig voor moet zijn en er op moet kunnen reageren 

Mensen kunnen een zelfde hoeveelheid hormonen aanmaken, maar er

toch verschillend op reageren, waardoor hun ontwikkeling anders zal verlopen.

Hormoonproductie en - reactie?

?

Als de oergonaden zich verder ontwikkeld hebben tot teelballen of ovotestes, kunnen ze Testosteron en Anti-Mülleriaans Hormoon aanmaken tijdens de zwangerschap.

 

  • Als er veel T wordt aangemaakt en het lichaam kan er ook op reageren, dan zullen de Wolfsse structuren verder uitgroeien tot bijballen, zaadleiders en zaadblaasjes.

  • Als er veel AMH wordt aangemaakt en het lichaam kan er ook op reageren, wordt de ontwikkeling van de Müllerse structuren (baarmoeder, bovenste deel van de vagina en eileiders) afgeremd.

  • Als er een beetje T en AMH wordt aangemaakt (bijvoorbeeld door ovotestes, of omdat er 1 teelbal aanwezig is), dan kunnen Müllerse als Wolfsse structuren zich samen verder ontwikkelen.  Dan kan er bijvoorbeeld een eileider en kleine baarmoederstructuur ontstaan langs één zijde, en ook een zaadleider en/of kleine prostaat langs andere zijde. Niet elke structuur zal even ver ontwikkeld zijn. Hier is veel variatie in mogelijk, afhankelijk van hoeveel hormonen net worden aangemaakt en ook kunnen inwerken.

​Als de oergonaden zich verder ontwikkeld hebben tot eierstokken of streakgonaden (gonaden die enkel bindweefselstrengen bevatten, geen geslachtsklierweefsel),  dan maken zij tijdens de zwangerschap geen testosteron en Anti-Mülleriaans Hormoon aan.

  • Omdat er geen T is, zullen de Wolffse structuren niet verder uitgroeien tot bijballen, zaadleiders, zaadblaasjes en prostaat.

  • Omdat er geen AMH is,  wordt de groei van Müllerse structuren tot baarmoeder, eileiders en bovenste deel van de vagina verder gestimuleerd.

De eierstokken of ovotestes zullen pas in een later stadium, tijdens de puberteit, de hormonen oestrogeen en progesteron produceren, die een belangrijke rol spelen in opslag en vrijgeven van eicellen.

?

De bijballen bestaan uit een netwerk van kronkelvormige buisjes waarin sperma (zaadcellen) rijpt. De zaadleider loopt van de bijbal langs de lies naar de buikholte en zo naar de onderkant van de blaas, waar de prostaat ligt. In de prostaat mondt de zaadleider uit, die op zijn beurt uitmondt in de urinebuis.

De baarmoeder wordt door de baarmoederhals (cervix) verbonden met de vagina. De vagina maakt een verbinding tussen de baarmoeder en de buitenwereld. De eileiders verbinden de eierstokken met de baarmoeder.

Waar komt testosteron (nog) vandaan?

Testosteron wordt niet alleen geproduceerd door de teelballen of ovotestes, maar ook door de bijnieren

Oergonaden   ----> Teelballen of ovotestes
Oergonaden   ----> Eierstokken of streakgonaden
 

4. UITWENDIGE GESLACHTSORGANEN  

Ook de uitwendige geslachtsorganen zien er bij iedereen in een vroeg stadium hetzelfde uit.

 

Er is een genitaal uitsteeksel, labioscrotale zwellingen en urogenitale plooien met ertussen de urogenitale opening.

 

Het genitaal uitsteeksel is een phalloclitorische structuur, oftewel een penis en clitoris tegelijkertijd. Penis en clitoris bevatten hetzelfde weefsel en zijn in essentie dezelfde structuur; de benaming hangt enkel af van de grootte van de structuur. Soms wordt in medische kringen deze structuur als een penis beschouwd als ze groter is dan 2.5 cm bij de geboorte. Als ze kleiner is dan 0.9 cm, wordt ze beschouwd als een clitoris. Merk op dat er een grote ‘grijze’ zone is tussen die 0.9 cm en 2.5 cm. Mogen we geslachtsorganen die daartussen liggen ook clitoris of penis noemen? Jazeker. Merk op dat het nogal arbitraire grenzen zijn en arbitraire benamingen zijn voor dezelfde structuur. Ons geslachtsorgaan laat zich niet altijd zomaar in vakjes stoppen, en dat hoeft ook niet.

Onder invloed van testosteron zal na zes weken het genitale uiterlijk veranderen. 

Testosteron wordt vaak in het nog krachtigere diydrotestosteron (DHT) omgezet,  door het enzyme 5 α reductase.

Testosteron wordt niet alleen door de teelballen, maar ook door de bijnieren geproduceerd. Iedereen heeft dus testosteron in zijn lichaam.

 

Dit testosteron (en DHT) kan dan opnieuw in verschillende hoeveelheden aanwezig zijn, en het lichaam kan er opnieuw tijdens de zwangerschap verschillend op reageren. Dat leidt ertoe dat er veel variatie mogelijk is in het genitale uiterlijk.

 

•    Indien er veel testosteron en DHT aanwezig is en het lichaam kan er op reageren, groeit het genitaal uitsteeksel en wordt de glans van de penis gevormd. Ook de urogenitale plooien worden langer, groeien naar elkaar toe, sluiten zich en vormen zo de schacht van de penis met de plasbuis (urethra) er middenin. De plasbuis kan uitmonden aan de top van de penis in de glans, maar ook ergens daaronder. De labioscrotale zwellingen versmelten, beginnend van onder bij de anus richting penis, als een soort ritssluiting en vormen zo de balzak (scrotum). De litteken - achtige streep (raphe) die in het midden loopt bij de balzak is daar een overblijfsel van. Geen enkele penis ziet er hetzelfde uit.

•    Als er weinig testosteron of DHT aanwezig is of het lichaam kan er niet op reageren, dan groeit het genitale uitsteeksel niet verder en wordt het de glans van de clitoris genoemd. De urogenitale opening leidt tot de vagina en er ontstaat ook een aparte opening voor de urinebuis. Uit de urogenitale plooien ontstaan de kleine schaamlippen (labia minora). De labioscrotale zwellingen vormen de grote schaamlippen, die meestal zijn behaard (labia majora).  Al deze structuren samen, wordt ook als de 'vulva' omschreven. Geen enkele vulva ziet er hetzelfde uit.

•    Als er een beetje meer testosteron of DHT aanwezig is, en het lichaam kan er ook op reageren, dan is er opnieuw heel wat variatie in het uiterlijk van de uitwendige geslachtsorganen.

Door de inwerking van een beetje testosteron en DHT kan de phalloclitorische structuur wat verder zijn gegroeid, waardoor de clitoris groter is of penis kleiner is dan verwacht.

Soms kan er één opening zijn voor de vagina en urinebuis (ook urogenitale sinus genoemd), of mondt de plasbuis niet helemaal uit aan de top van de penis, maar onder de glans of midden op de schacht (hypospadie genoemd).

Soms zijn de schaamlippen gezwollen en donkerder (bevatten meer pigment, gehyperpigmenteerd) en ook gedeeltelijk of helemaal met elkaar vergroeid, of is het scrotum (balzak) in twee gesplitst (bifide scrotum).

Ook lichte kromming (chordee) van de phalloclitorische structuur (penis of clitoris) is mogelijk. 

Artsen gebruiken soms classificatie-systemen of schalen om de uitwendige geslachtsdelen in te delen naar gelang de invloed van de inwerking van testosteron, zoals bv de Prader-schaal. Die schalen op zich beschrijven enkel de geslachtsorganen en kunnen niet voorspellen of iemand zich man of vrouw zal voelen. 

 

5. SECUNDAIRE SEKSE-KENMERKEN EN PUBERTEIT  

Vaak wordt er vanaf de puberteit, ergens tussen het 8e en 14e levensjaar, 

gonadotrofine-releasing hormoon (GNrH) aangemaakt in de hypothalamus

in de hersenen. 

Dat GNrH hormoon zorgt op zijn beurt dat er twee andere hormonen,

luteïniserend hormoon (LH) en follikelstimulerend hormoon (FSH)

worden geproduceerd in de hypofyse, ook in de hersenen.

LH en FSH zorgen ervoor dat de gonaden (geslachtsklieren)

actief worden:

  • FSH stimuleert de aanmaak van zaadcellen (sperma) in de

(Sertoli-cellen van) teelballen of ovotestes. FSH versterkt ook het effect van LH,

dat de (Leydig-cellen in de) teelballen stimuleert om testosteron aan te maken.

 

Als het lichaam op dat testosteron kan reageren, kunnen er volgende puberteits/secundaire sekse-kenmerken optreden:

  1. de teelballen worden groter

  2. de phalloclitorische structuur (penis of clitoris) wordt groter

  3. de adamsappel wordt groter en de stem wordt zwaarder

  4. er ontstaat meer spiermassa

  5. schouders worden breder

  6. de prostaat ontwikkelt zich

  7. de zweet- en talgklieren groeien, waardoor lichaamsgeur en acne (puistjes) ontstaan

  8. er ontstaat meer lichaams- en gezichtsbeharing

  9. er is toename van de lengtegroei​

  • FSH stimuleert de groei van follikels en eicellen in eierstokken of ovotestes. FSH en LH zorgen er samen voor dat de eierstokken oestrogeen aanmaken.

Als het lichaam op dit oestrogeen kan reageren, kan dit leiden tot:

  1. ​borstvorming

  2. toename van de lengtegroei

  3. de heupen verbreden en er komt meer lichaamsvet rond de heupen, dijen en billen

  4. maandelijkse eisprong en de menstruatie als er een baarmoeder aanwezig is

Niet alleen de geslachtsklieren, maar ook de bijnieren gaan hormonen produceren. Ook dat gebeurt meestal vanaf de leeftijd van 8 jaar. De bijnierschors van de bijnieren maakt twee androgenen aan: dehydroepiandrosteron (DHEA) en androsteendion. Die zorgen er voor dat er lichaamsbeharing ontstaat in de oksels en schaamstreek en dat zweet- en talgklieren zich ontwikkelen (wat kan leiden tot acne, lichaamsgeur en vettig haar). 

Artsen gebruiken soms schalen (Tanner stadia

genoemd) om de veranderingen van het

lichaam en puberteitsontwikkeling na te gaan.

Ze kijken daarbij vooral naar hoeveelheid

lichaamsbeharing, borstontwikkeling,

penisgroei en testesontwikkeling.

Niet alle beschreven veranderingen treden altijd op en er is ook geen vastgelegde volgorde. Bij de ene persoon gaat de puberteit sneller in dan bij de andere persoon, en wordt het proces ook sneller doorlopen. Er bestaan verschillende variaties die vooral deze hormoonhuishouding beïnvloeden, en die we ook in detail beschrijven per variatie.

Bronnen


Artikels en boeken Cools, M (2006). Germ cell tumors in patients with disorders of sex development: risk factors, initial developmental stages and targets for early diagnosis. PhD.Erasmus Universiteit Rotterdam: the Netherlands. Grumbach, M, Hughes, I, Conte, F. (2003). Disorders of Sex Differentiation, in Williams textbook of endocrinology, 10th edition, P. Larsen, H. Kronenberg, S. Melmed, and K. Polonsky, eds. p. 842-1002. WB Saunders (Elsevier): Philadelphia. Lucas-Herald, A.K. & Bashamboo, A. (2014.) Gonadal Development. In Hiort O. & Ahmed, S.F. (eds): Understanding differences and disorders of sex development. Endocrine Development, 27, pp. 1-16 Karger: Basel. Vilain, E. (2008). Genetics of Sexual Development and Differentiation, in Handbook of Sexual and Gender Identity Disorders, D.L. Rowland and L. Incrocci, eds. John Wiley & Sons, Inc: Hoboken, New Jersey. p. 329-53. Wisniewski, A.B., Chernausek, S.D., Kropp, B.P. (2012). Disorders of Sex Development: A guide for parents and physicians. Johns Hopkins University Press: Baltimore. Websites www.dsdgenetics.org www.aboutkidshealth.ca www.brusselsgenetics.be Folders De geslachtsontwikkeling zoals het meestal gaat





© 2018 

Design & illustrations

by Nina Callens

Met de steun van